De geschiedenis van osteopathie

De geschiedenis van osteopathie gaat terug (tot het einde) de tweede helft van de 19e eeuw. In België werken osteopaten reeds sinds de jaren 70 van vorig eeuw. De erkenning en integratie in het medische landschap zal ongetwijfeld een meerwaarde zijn.

Strijd voor erkenning

In de bijna 50 jaar dat er osteopaten actief zijn in België zijn er meerdere pogingen geweest om tot een officieel statuut als zorgberoep te komen. In 1999 werd een wet gestemd (wet-Colla) die een kader voorzag waarin vier niet-conventionele geneeswijzen, waaronder osteopathie, tot een volwaardig geneeskundig beroep dienden te evolueren. In 2014 werd door toenmalig minister Onkelinx een KB hiertoe opgesteld, dat in extremis door een enkele partij werd afgeblokt.

Een erkenning voor de osteopathie is nochtans een win-win situatie voor alle betrokkenen. Niet in het minst voor de patiënt die erkend wordt in zijn vrije keuze van zorg (1) en die hierin door de overheid wil begeleid (lees vooral ook “beschermd”) worden (2). De patiënt kan zo rekenen op de meest efficiënte zorg voor aandoeningen van functionele aard en zoals wetenschappelijke onderzoeken en internationale richtlijnen aangeven is osteopathische zorg de eerste keuze voor niet-specifieke lage rugpijn en nekpijn.

Het is zonder meer ook een win-situatie voor de huisarts. Onderzoek toont aan dat de eerstelijnszorg van heel wat klachten van het bewegingsapparaat een uitdaging vormen voor veel huisartsen. Wetenschappelijke argumenten leveren ons voldoende reden om aan te nemen dat een model waarbij de eerstelijnsfunctie bij aandoeningen van het bewegingsapparaat waargenomen wordt door osteopaten net zo veilig en effectief zal zijn als het huidige huisartsgeleide model.

Uiteraard bezorgt erkenning ook de osteopaat een win-situatie, na meer dan 4 decennia in de eerstelijnszorg zijn functie te hebben uitgeoefend zonder legaal kader. De beroepsgroep snakt naar een reglementering (lees wederom “bescherming”) van zijn beroep. Ook de zorg voor de kwaliteit van de opleiding en de vraag naar een nog betere samenwerking met andere zorgberoepen laten de osteopaat niet onberoerd en staan na een officiële erkenning van hun beroep hoog op hun verlanglijstje.(3)
Osteopaten dienen reeds meer dan een decenium gecontroleerde bijscholing te volgen en streven naar hoog kwalitiatieve zorgverlening.(4)

De bewezen effectiviteit van osteopathische zorg, de tevredenheid van patiënten, de samenwerking op het terrein met andere gezondheidsberoepen toont de meerwaarde aan van de positie van de osteopaat in de eerste lijn. Meer uitgebreide informatie met betrekking tot de osteopathie als een medische praktijk in de eerste lijn vindt u hier.

(1) De wet van 22.08.2002 betreffende de rechten van de patiënt garandeert de vrije keuze en verwijst in deze ook naar de niet-conventionele zorgverstrekker (art 2 § 3).
(2) “In onze risico-maatschappijen verwachten de burgers dat de overheid steeds meer hun “right to safety” bovenop hun “right to security” beschermt.” In Raes K, Controversiële rechtsfiguren: rechtfilosofische excursies over de relaties tussen ethiek en recht, Academia Press, 2001. In dit kader dient ook een diploma in de osteopathie gezien te worden en instanties, zoals een Orde voor Osteopaten, een systeem voor bijscholing, e.d.
(3) van Dun PLS, Nicolaie MA, Van Messem A, State of affairs of osteopathy in the Benelux: Benelux Osteosurvey 2013, International Journal of Osteopathic Medicine (2016), doi:10.1016/j.ijosm.2016.01.003.
(4) Osteopathie is als niet-conventionele geneeswijze opgenomen in de wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg.

Osteopathie in België

De eerste Belgische osteopaten melden zich begin jaren ‘70 en zijn afgestudeerd in het Verenigd Koninkrijk of in Frankrijk.

In 1976 start de eerste deeltijdse opleiding osteopathie in Brugge door het Instituut William Garner Sutherland (IWGS), dat later het Sutherland College of Osteopathic Medicine (SCOM) zal worden en dat ook een Nederlandstalige afdeling kreeg in 1985.

In 1986 wordt de eerste beroepsvereniging, de Belgische Vereniging voor Osteopathie (BVO) opgericht, als fusie van de eerder gevormde Sociéte Belge d’Osteopathie et de Recherche en Thérapie Manuelle (SBORTM) en de Association Belge d’Ostéopathie (ABO). In hetzelfde jaar ontstaat ook de Belgische Academie voor Osteopathie. De BVO, die al een opleiding op universitair niveau wou organiseren als antwoord op de overwegingen bij het proces van een collega osteopaat, start een opleiding op aan de campus van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) in oktober 1986. Maar deze poging mislukt en de cursus zal nooit leiden naar een universitair diploma maar wordt verder gezet als Cours Osteopathie Cursus (COC), een private opleiding voor osteopathie dewelke heden bekend staat als het Collège Belge d’Ostéopathie (CBO). Ook andere privé-opleidingen zien het daglicht: het JWIAO in 1988, de IAO in 1989 en het FICO in 1993. Hun gediplomeerden richten op hun beurt nieuwe beroepsverenigingen op, wat het beroep opsplitst (Unie van Osteopaten (UVO) in 1996, Unie van Belgische Osteopaten (UBO) in 1996, Register voor de Osteopaten van België (ROB) in 1997 en de Belgische Associatie van Klassieke Osteopaten (BAKO) in 1999).

In België zorgt minister Colla in april 1999 voor een kaderwet. Deze is echter tot op heden niet uitgevoerd maar de onderhandelingen omtrent de uitvoering ervan zijn in 2011 opgestart. Zonder dit wettelijke kader kan eender wie zich osteopaat noemen. Om aan deze tekortkoming een mouw te passen hebben de erkende beroepsverenigingen criteria bepaald die een maximale garantie moeten geven aan de patiënten: osteopaten die lid zijn hebben allen een volledige en gecontroleerde opleiding genoten. Om lid van een erkende beroepsvereniging te worden moet hij/zij zich ook engageren om een ethische code te respecteren, (permanente vorming) bijscholing te volgen en zich te verzekeren voor burgerlijke aansprakelijkheid inzake uitoefening van de osteopathie.

De beroepsverenigingen ijverden samen in de overkoepelende organisatie Groepering, Nationaal en Representatief van de Professionele Osteopaten vzw (GNRPO vzw) naar verdere professionalisering van het beroep. Eén van de realisaties van dit streven is het aanbieden van een 6-jarige universitaire opleiding tot osteopaat. Sinds het academiejaar 2004-2005 organiseert de Université Libre de Bruxelles (ULB) een complementaire master in de osteopathie. Langs Vlaamse zijde worden er gesprekken gevoerd met verschillende instelligen. Door opeenvolgende fusies tussen beroepsverenigingen zijn er momenteel nog slechts 3 erkende beroepsverenigingen in België. Van de ongeveer 2000 door de ziekenfondsen geregistreerde osteopaten zijn er ongeveer 1300 osteopaten lid van deze verenigingen.

Osteopathie in Europa

De osteopathie in Europa en de rest van de wereld heeft een heel andere evolutie doorgemaakt. John Martin Littlejohn (1865-1947) is diegene die de osteopathie naar Europa brengt. Hij studeert aanvankelijk rechten, oosterse filologie, theologie maar ook anatomie en fysiologie aan de universiteit van Glasgow. Met een zwakke gezondheid, emigreert hij in 1892 naar Amerika waar hij zich wendt tot A.T. Still voor behandeling. Dit brengt hem spoedig herstel, wat grote indruk op hem maakt. Still biedt hem een positie als docent algemene geneeskunde aan en Littlejohn gaat bij hem in opleiding tot osteopaat. Littlejohn schrijft zich in aan het College van Kirksville en wordt er al spoedig decaan. Hij komt in conflict met Still over de te onderwijzen basisvakken.

In 1900 richt Littlejohn het College voor Osteopathie op in Chicago. In 1913 verhuist Littlejohn terug naar Engeland en richt er in 1917 the British School of Osteopathy op.

Uiteindelijk wordt de osteopathie in 1993, met de ondertekening van de “Osteopaths Act”, als een afzonderlijk beroep geregulariseerd. De General Osteopathic Council (GOsC) wordt gekozen om de osteopathie in het Verenigd Koninkrijk bij wet te regelen, haar beroepsbeoefenaars te registreren, de patiënten te beschermen en het beroep verder uit te dragen. Tegenwoordig zijn de Engelse colleges voor osteopathie verbonden aan de officiële structuren van het hoger onderwijs.

Vanuit Engeland komt de osteopathie naar het Europese vasteland, waarna het eerst via Frankrijk en wat later ook via België de rest van Europa verovert.

Osteopathie in Amerika

Andrew Taylor Still (°1828 Virginia, †1917 Kirksville) is de grondlegger van de osteopathie. In de voetsporen van zijn vader wordt hij arts en praktiseert hij de eerste twintig jaar geneeskunde. Hij neemt als Unionist deel aan de secessieoorlog (1861-1864) als veldchirurg. Het verlies van enkele van zijn kinderen tijdens een epidemie van hersenvliesontsteking overtuigt Still van de noodzaak om de geneeskunde te hervormen. De regels van zijn ideeënmeester (John Wesley) volgend, observeert hij de natuur, dissecteert hij lijken van Shawnee-indianen en ontleedt hij dieren die hij buit maakt bij de jacht. Hij bestudeert ook de geneeskunde van de Shawnees, waaronder een aantal gewrichtsmanipulaties.

Zijn medische doctrine wordt een mengeling van metafysica en mechanicistische speculaties die voortvloeien uit zijn observaties. Voor hem komen alle ziekten voort uit een belemmering van de goede bloedcirculatie. Spiersamentrekkingen en gewrichtsverschuivingen zijn verantwoordelijk voor een slechte circulatie van de levensvochten. Still bevestigt zijn theorieën met zijn klinische resultaten en niet via een experimentele methode. Door zijn collega’s miskend, sticht hij het eerste college voor osteopathie in Kirksville in 1892 (“American School of Osteopathy”).

Tot op heden hebben er 23 COMs (College of Osteopathic Medicine) ongeveer 60.000 DO’s opgeleid ?Ze maken integraal deel uit van de eerstelijnsgeneeskunde en kunnen zich ook specialiseren in diverse takken van de geneeskunde.

Met een geschat aantal van 100.000 actieve osteopaten in het jaar 2020, is de osteopathie een van de snelst groeiende medische beroepen in het Amerikaanse gezondheidssysteem.Hier klopt iets niet